| |

|
De hiernaast afgebeelde toren, ongeveer
4,5 meter hoog, heb ik op bijeenkomsten van gebruikers van computer-programma's, gebaseerd
op de Eindige-Elementen-Methode, gebruikt om resultaten van die programma's te
verifiëren. Een dergelijke toren staat ook in mijn voortuin.
Omdat constructies meer gaan leven als er achtergrondinformatie beschikbaar is en ik dan
tevens voorkom telkens hetzelfde verhaaltje te moeten vertellen, wil ik in dit artikeltje
het 'hoe en waarom' van deze toren beschrijven.
Waarom?
In een technisch tijdschrift van eind jaren '60 stond een artikel over de wonderlijke
toren van Kenneth Snelson. In de beeldentuin van het Kröller-Müller museum op De Hoge
Veluwe was die zomer zijn zogenaamde 'Needle Tower' geplaatst.
Deze wonderlijke toren rees, ongetuid doch stabiel, tot 18 meter recht omhoog. Hij bestond
uit 10 x 3 drukstaven verbonden door een 90-tal spankabels. (Velen van u zullen hem in die
beeldentuin wel eens hebben gezien; in Arthesis 15/2 op pag. 12 is Snelsons 'Needle Tower
II' te zien, naar aanleiding van de tentoonstelling Schaal en Maat). |
| Tot zover geen bijzonders, echter
de laatste zin in dat artikel stond mij niet aan: Kenneth Snelson beweert dat geen
ingenieur in staat zou zijn dit te berekenen. Wat berekenen betreft bedoelde hij de
sterkte en de stijfheid. Zoiets moet je natuurlijk niet tegen een constructeur zeggen! We
zullen wel eens even laten zien dat zo'n ruimtelijke constructie met de huidige
computerprogrammatuur eenvoudig te berekenen is. Op dat moment had ik echter geen tijd
om een proefje te doen. Jaren later, in de winter van 1978, herinnerde ik me dit probleem.
Even het bewuste artikel zoeken; natuurlijk nergens te vinden! Dan maar zelf een torentje
bedenken. Ik herinnerde me wel dat de toren uit alléén trek- en drukstaven bestond, en
dat de drukstaven elkaar niet raakten. Overigens, trekstaven zijn draden,
kettingen e.d., drukstaven zijn buizen, stokken e.d. Ga je gang ... |
|

|
Hoe?
Een mast kun je tuien met drie draden; meer hoeft niet, minder kan niet. Als je de
onderkant van deze mast of stok nu niet op de grond zet maar ook in drie draden ophangt,
staat hij stabiel in de ruimte (zie de linker figuur hierboven). Door nu deze ene mast met
zes draden 0, 90, 180 en 270 graden te draaien om de verticale stippellijn ontstaat de
derde figuur.
De derde figuur (hierboven, rechts) is nu één etage van de toren. Natuurlijk zijn de
lengtes van de draden t.o.v. de stokken niet willekeurig. Met een beetje mechanicakennis
zie je dat bijvoorbeeld punt 1 in een vlak door de punten 7-11-9 moet liggen. Met dit
gegeven is het mogelijk alle knopen in ruimtelijke coördinaten vast te leggen. Met het
vastzetten van de punten 1 t/m 4 staan de vier stokken stabiel in de ruimte en kan ik
bijvoorbeeld de bovenkant van de stokken (punten 9 t/m 12) als steunpunt voor de volgende
etage gebruiken.
Dit soort constructies heet tensegrities (tensional integrities). Anthony Pugh
geeft in zijn boek An introduction to tensegrity de volgende definitie: 'A
tensegrity system is established when a set of discontinuous tensile compressive
components interacts with a set of continuous tensile components to define a stable volume
in space.'
Zelf heb ik daaraan toegevoegd: a minimum number of tensile components. Dat wil
dus zeggen dat iedere stok met zes draden is verbonden en niet meer. Snelson gebruikt
meestal acht en soms zelfs tien draden per stok. Dat is dus te veel. Je kunt dat aan zijn
'Needle Tower' dan ook zien, er hangen een aantal draden slap, die heb je dus niet nodig!
Een nadeel van mijn minimum number of tensile components is dat als er één stok breekt
of één draad doorroest de toren in elkaar stort! Dat is dan ook ooit gebeurd.
Berekening
De aanleiding voor dit geheel was de opmerking van Kenneth Snelson dat een constructeur
dit soort torens niet kan berekenen.
Het moge duidelijk zijn dat het mij uiteindelijk gelukt is de sterkte en stijfheid van
dergelijke constructies te berekenen. Het bewijs daarvan is de toren hierboven. Het voert
te ver om in Arthesis daar verder op in te gaan. Ik moet nog wel zeggen dat Snelson eind
jaren '60 gelijk had met zijn opmerking. Pas halverwege de jaren '70 kwamen, met name via
de NASA, computerprogramma's beschikbaar voor het berekenen van dit soort constructies. |
|
|